Meteen naar de inhoud

Oproepovereenkomst: hoe zit het ook alweer?

Maakt rechtsvermoeden ex art. 7:610b BW de oproepovereenkomst feitelijk onmogelijk?

Neen. Werkgever kan werknemer nog steeds oproepen voor arbeid, maar dient dat te doen voor een bepaald gemiddeld aantal uren per periode of anders het loon door te betalen.

Opvolgende oproepcontracten

Partijen sluiten achtereenvolgens oproepcontracten, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met vaste arbeidsomvang, oproepcontracten en uiteindelijk een oproepcontract voor onbepaalde tijd. Twee maanden later wordt werknemer niet meer opgeroepen en wordt geen loon meer betaald. Werknemer vordert loondoorbetaling overeenkomend met het loon over het gemiddeld aantal gewerkte uren van de laatste drie maanden op grond van het rechtsvermoeden ex art. 7:610b BW. De kantonrechter kent de vordering toe en bepaalt dat de referteperiode één jaar bedraagt. Werkgever gaat in beroep en stelt geen sprake is van onduidelijkheid, nu duidelijk is overeengekomen dat de arbeidsomvang zal fluctueren. Volgens hem maakt het rechtsvermoeden de oproepovereenkomst feitelijk onmogelijk.

Rechtsvermoeden

Volgens het hof is het rechtsvermoeden van toepassing op iedere arbeidsverhouding die tenminste drie maanden heeft geduurd. Dit beoogt houvast te bieden in situaties waarin de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is overeengekomen. De lezing van werkgever leidt tot het onaannemelijke resultaat dat werknemer geen beroep op het rechtsvermoeden toekomt, indien duidelijk overeengekomen wordt dat de arbeidsduur aan schommelingen onderhevig is. Het rechtsvermoeden geeft weliswaar duidelijkheid over de arbeidsomvang, maar niet over de tijdstippen waarop arbeid wordt verricht. Dit blijkt uit de mogelijkheid om de arbeidsduur vast te stellen over een langere meer representatieve periode dan het minimum van drie maanden. De oproepovereenkomst wordt hiermee niet onmogelijk. Werkgever kan werknemer nog steeds oproepen voor arbeid, maar dient dat te doen voor een bepaald gemiddeld aantal uren of het loon door te betalen. Het rechtsvermoeden leidt er niet toe dat de omvang van de arbeidsduur automatisch wordt vastgesteld op de gemiddelde omvang van de laatste drie maanden. Het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Bron: Prg 2014-21, Hof Amsterdam,5 augustus 2014